Het klankgedicht is opgebouwd uit klanken. In dit gedicht is het ritme van
groter belang dan de inhoud: de klanken zijn vaak niet-bestaande woorden.
De inhoud van een klankgedicht hoeft dus geen betekenis te hebben. Het enige
wat soms een betekenis heeft is de titel van dit gedicht.
Bedenk een onderwerp, dat specifieke klanken heeft: B.v. een handeling,
een voorwerp, of een dier.
Bedenk welke geluiden bij jouw onderwerp horen en schrijf die geluidsassociaties
op.
Maak nu van deze klankwoorden een gedicht. Denk eraan, dat de klank
en het ritme het belangrijkst zijn.
Lees jouw gedicht een paar keer hardop, om te horen of je gedicht
lekker loopt. Het herhalen van klanken hoort ook bij een klankgedicht.
Bedenk een titel voor jouw gedicht.
Als voorbeeld:
Monolog des verrückten Mastodons
Paul Scheerbart (1863-1915)